![]()
Veronderstellingen van Greenpeace e.V., Hamburg, spreken de feiten tegen.
![]()
Kinderspeelgoed uit zacht PVC was de laatste tijd aanleiding tot nogal wat wrevel. Greenpeace Deutschland e.V., Hamburg, had in een persmededeling van 29 november 1997 onderzoeksresultaten bekend gemaakt die lieten vermoeden dat kinderen door dit speelgoed gevaar liepen. De milieuorganisatie had in dit verband op het gebruik van weekmakers (ftalaten) voor speelgoed uit zacht PVC voor kinderen onder 3 jaar gewezen, om het gebruik van dit speelgoed stop te zetten. Eerdere meldingen uit Denemarken en Nederland maakten reeds gewag van verhoogde hoeveelheden vrijgekomen weekmakers bij kinderspeelgoed. .
Het DVdSP (Vereniging van de Duitse Speelgoed Industrie) nam deze verwijten zeer ernstig op. Ze stelden Greenpeace Deutschland e.V., Hamburg, voor om een gemeenschappelijk onderzoek naar dergelijke producten te starten. Noch eerder bereikte resultaten noch, op basis van de beschuldigingen, opnieuw uitgevoerde onderzoeken, konden de resultaten van Greenpeace Deutschland e.V., Hamburg, bevestigen. De medewerkster van de milieuorganisatie, Judit Kanthak, wees nochtans een gemeenschappelijk onderzoek af. .
De AgPU en de speelgoedfabrikant Mattel hebben daarom de onderzoeksresultaten van het door Greenpeace Deutschland e.V., Hamburg, gemandateerde labo aan een expertencontrole onderworpen. Gevraagd werd of er raakpunten waren die verder moesten worden opgevolgd en hoe solide de door het labo toegepaste analysemethode wel was. De resultaten van deze secundaire analyse zijn nu beschikbaar en worden hiermee bekend gemaakt. .
![]()
Op 29 november 1997 trad Greenpeace e.V., Hamburg, met de volgende alarmmelding op het voorplan.
"Greenpeace, heeft 23 stukken speelgoed van de merken Mattel, Fisher-Price, Tyco en Safety First op basis van steekproeven onderzocht. Bij 12 stukken speelgoed overschreed de hoeveelheid migrerende weekmaker meerdere malen de door het BgVV (Federaal Instituut voor de bescherming van consumenten en veterinaire geneeskunde) aanbevolen grenswaarde van 3 mg/dm2."
(persmededeling Greenpeace e,V., Hamburg, 29 november 1997).
Mattel GmbH, één van de grotere speelgoedfabrikanten en de AgPU e.V. droegen, naar aanleiding van deze beschuldigingen, drie onafhankelijke instituten op de resultaten van de milieuorganisatie d.m.v. hun eigen testmethoden te verifiëren:
De TÜV Rheinland en de LGA Bayern werden door de EU uitdrukkelijk voor het testen van speelgoed geaccrediteerd.
De resultaten van de 3 labo's komen overeen: een verhoogde migratie van ftalaten kon niet aangetoond worden. In bijna alle gevallen lag de migratie beneden de meetgrens. In het bijzonder de vaststelling van Greenpeace e.V., Hamburg, dat de grenswaarde van 3 mg/dm2 niet nagekomen werd, is fout en leidt tot verwarring. Deze grenswaarde is gebaseerd op een restgehalte aan vluchtige stoffen zoals bijv. oplosmiddelen. Het BgVV heeft in zijn aanbevelingen een voorstel geformuleerd voor een methode voor de bepaling van dit aandeel van migrerende vluchtige stoffen d.m.v. een zeer gecompliceerde differentiebepaling. Nochtans hebben noch de door Greenpeace noch de door de industrie gemandateerde labo's deze aanbeveling toegepast. Dit betekent dat de gemeten totale hoeveelheid organisch koolstof of TOC-waarde niet gebruikt kan worden als antwoord op de vraag of de grenswaarde van 3 mg/dm2 overschreden werd.
De onderzoeksresultaten van de gemandateerde labo's hebben duidelijk aangetoond dat de TOC-waarden op geen enkele wijze als surrogaat voor de ftalaatmigratie kunnen gebruikt worden. Uit de resultaten wordt duidelijk dat vele andere stoffen eveneens migreren en dat ze voor de hogere TOC-waarden verantwoordelijk zijn. Als TOC dan al een surrogaat voor de ftalaatmetingen zou zijn dan zouden voor beide methoden (TOC en ftalalaatmeting) vergelijkbare analyseresultaten gemeten worden.
Maar Greenpeace e.V., Hamburg, heeft vooralsnog TOC-waarde en ftalaatmigratie min of meer aan elkaar gelijkgezet en dit met volgende reden:
"Uit ervaring is geweten dat veruit het grootste massa-aandeel van uit PVC migrerende stoffen toe te wijzen is aan ftalaten, d.w.z. de TOC-waarde is in dit geval in wezen gelijk aan de totale hoeveelheid ftalaten. "
(achtergrondinformatie Greenpeace e.V., Hamburg, "Kinderspielzeug aus Weich-PVC: Umweltgift in Kindermund! " - Kinderspeelgoed uit zacht PVC, een milieugif in de kindermond - november 1997).
Deze verklaring is echter, aanwijsbaar fout, zoals de onderzoeken van de LGA Bayern bewijzen. Bij alle tien onderzochte stukken speelgoed werden gelijk hoge TOC-waarden gemeten doch echter niet de overeenkomstige migratiewaarden door ftalaatweekmakers vastgesteld:
"De verkregen TOC-waarden liggen in een zelfde grootte orde als de door GP bekendgemaakte TOC-waarden. Grotere afwijkingen bestonden enkel voor de TOC-waarden van een Tijger bijtvoet. Significante verschillen konden dus bij vergelijking van de TOC-waarden niet vastgesteld worden.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat het door GP gemandateerde labo onder vergelijkbare testomstandigheden gewerkt heeft en een bijkomende mechanische belasting van het speelgoed tijdens het testen vermoedelijk niet heeft plaatsgevonden...
De migratieoplossingen, die na 24 uur testen werden verkregen zijn vervolgens voor de specifieke bepaling van ftaalzuuresters gebruikt. Men wou in het bijzonder de verbindingen DEHP en DINP detecteren en kwantificeren. De concentratie van beide onderzochte verbindingen lag echter in alle migratieoplossingen beneden de analytische detectielimiet. De migratieoplossingen werden eveneens via de zogenoemde SCAN-methode onderzocht op migratie van andere ftalaten. Er konden echter geen verdere ftaalzuuresters gevonden worden.
De hoge waarden voor ftaalzuuresters die door Greenpeace e.V., Hamburg, bekend gemaakt werden, konden dus onder de hoger genoemde testvoorwaarden niet vastgesteld worden."
(Landesgewerbeantstalt Bayern, Bereich Umweltschutz, Prüfbericht vom 19 december 1997).
Na de éénmalige meldingen uit Denemarken en Nederland dat vermoedelijk verhoogde migratiewaarden voor kinderspeelgoed gevonden werden, werd op aanraden van het BgVV een vergelijkbaar onderzoek gestart in Duitsland. De cijfers die door de controle-ambtenaren van de deelstaten werden voorgelegd gaven geen aanleiding tot afkeuring (Brief van het Federale Ministerie van Gezondheid - Duitse Verbond der Speelgoedindustrie van 13 november 1997). Ook de testen die in andere EU-landen, volgens de daar geldige nationale standaardtechnieken, werden doorgevoerd, wezen ook niet op verhoogde migratiewaarden voor ftalaten uit kinderspeelgoed.
Gealarmeerd door de publicaties van Greenpeace e.V., Hamburg, waarschuwde het BgVV in december 1997 vooralsnog voor een mogelijke belasting van kinderspeelgoed door verhoogde migratie van weekmakers (Pressedienst 30/97 van 12 december 1997). De waarschuwing werd door de industrie zeer ernstig genomen. Reden waarom ze de labo's van Dr. Budde, TÜV Rheiriland en LGA Bayern de opdracht gaf om eigen testen door te voeren. Maar de door Greenpeace e.V., Hamburg, gepubliceerde resultaten konden niet worden gereproduceerd.
In verband met de van elkaar verschillende waarden die door de verscheidene instituten werden gevonden, kan men zich de vraag stellen of de beide, door de milieuorganisatie gemandateerde instituten, Ingenieurs bureau Dr. Fechter GmbH (Berlin) en Dr. Kaiser & Dr. Woldmann GmbH (Hamburg) en deze door de industrie opgedragen, mogelijkerwijze andere testmethoden hebben toegepast.
![]()
Het BgVV had in 1994 een aanbeveling geformuleerd hoe speelgoed op migratie moest getest worden. Deze aanbeveling luidt als volgt:
"De test loopt gedurende één uur met gedestilleerd water als testvloeistof, verwarmd tot 40°C. Voor speelgoed in de vorm van bijtringen bedraagt de testduur, afwijkend hiervan, 24 uur. "
(Beoordeling van kunststoffen voor de gezondheid in het raam van de levensmiddelenwet, aanhangsel 111, 191. Mededeling van 15 november 1994, Bundesgesundheitsblatt 12/94, bladzijde 518).
Bij de discussie over de testmethode kan men het volgende weerhouden. Deze door het BgVV aanbevolen statische testmethode om de migratie vast te stellen, is naar mening van de industrie in de huidige vorm niet toereikend om de processen in de kindermond realistisch te simuleren. Zij steunt daarom de ontwikkeling van een dynamische, t.t.z. op een daadwerkelijk in de praktijk voorkomende situatie gebaseerde methode in het raam van een algemene harmonisering van de testmethode.
Want op het ogenblik bestaat er geen unieke, erkende en gevalideerde methode om de hoeveelheid ftalaten die door kleine kinderen via speelgoed opgenomen worden, te bepalen. In oktober 1997 sprak de voor consumentenbescherming verantwoordelijke Algemene Directie 24 van de EU-commissie zich uit voor een geharmoniseerde testmethode en ze stelde daartoe reeds een natuurwetenschappelijk comité aan. Dit comité werkt met de industrie en de overheid samen aan de ontwikkeling van een methode die het in de toekomst mogelijk moet maken, rekening houdend met de biologisch realistische omstandigheden, migratiewaarden van speelgoed te bepalen. In het bijzonder wil men de kauw- en zuigbewegingen en de daarmee verbonden mogelijke invloed op de migratie werkelijkheidsgetrouw nabootsen. De resultaten van deze werkgroep worden tegen augustus van dit jaar verwacht.
Ook voor Greenpeace e.V., Hamburg, zijn de huidige testmethoden niet toereikend.
"Deze testomstandigheden zijn maar beperkt geschikt om het uitlogen van weekmakers te simuleren. Noch de oploseigenschappen van speeksel, noch de bijteffecten worden in aanmerking genomen. "
(achtergrondinfo Greenpeace e.V., Hamburg, "Kinderspielzeug aus Weich-PVC: Umweltgift in Kindermund!" November 1997).
Daarom werd de testmethode aangepast. De controle van de door Greenpeace e.V., Hamburg, opgedragen onderzoekingen tonen aan dat, in afwijking van de aanbevelingen van het BgVV, de volgende twee zaken gebeurden.
Terwijl de door de industrie gemandateerde labo's de LGA Bayern en de TÜV - Rheinland zich strikt aan de door het BgVV aanbevolen testmethoden hield, hield Dr. Budde's labo ook bewust rekening met de hoger genoemde modificaties, om de hoogst mogelijke vergelijkbaarheid van de resultaten te verzekeren. Doch zelfs voor de 24-uren-schudtest konden de resultaten van Greenpeace e.V., Hamburg, niet bevestigd worden. In haar testrapport stelt dit labo vast dat:
"De Greenpeace-testresultaten kunnen , ondanks een gelijke belasting van het speelgoed (24 uren hevig schudden in water) niet gereproduceerd worden. "
(Chemische Untersuchungslabor Dr. Budde, testrapport van 17 december 1997).
Of bovendien de ultrasoon behandeling en het versnijden van de monsters, zoals dat bij de door Greenpeace opgedragen testen het geval was, waarheidsgetrouw is, moet betwijfeld worden . Vermoed mag in ieder geval worden dat:
"Door wijzigingen in de testmethode .... kunnen de resultaten snel veranderen. Volgens LGA- onderzoeker Elmar Zeitler, zal men door ultrasoon-behandeling of het verbrijzelen van de substantie een beduidend hoger resultaat bekomen. Beide worden in de richtlijnen niet voorzien."
(Hamburger Abendblatt van 22 december 1997).
Om betrouwbare en door beide zijden te controleren resultaten te bekomen heeft de Duitse speelgoed vereniging de medewerkers van Greenpeace e.V., Hamburg, Judit Kanthak, Dr. Oliver Worm en Andreas Bernstorff voorgesteld om gemeenschappelijk onderzoek te doen (gesprek van 27 januari 1998 in Frankfurt/Main en schrijven van de Duitse Speelgoed federatie op 28 januari 1998). Mevrouw Kanthak merkt vervolgens op dat:
"U stelt in uw schrijven van 28 januari 1998 een gezamenlijke verificatiemethode voor. Iets dergelijks is naar onze mening niet nodig betekent bovendien een stap terug op de reeds bereikte stand der discussies. In het algemeen menen we dat deze weg ook niet geschikt is om de door Greenpeace in 1997 bekomen migratiewaarden hard te maken. "
(Schrijven van Greenpeace e.V., Hamburg, aan de Duitse speelgoedvereniging 4 februari 1998).
Deze afwijzing alsook de weigering van Greenpeace e.V., Hamburg, om de gebruikte monsters voor een nieuw onderzoek ter beschikking te stellen stoten bij de experten op onbegrip en zorgden voor het nodige wantrouwen onder de speelgoedfabrikanten.
" Mede daarom doet in de branche het woord de ronde van 'een tweede Brent Spar'. In de affaire van het Shell-boorplatform had Greenpeace eerst met overdreven cijfers voor internationaal protest tegen het petroleumconcern gezorgd, doch moesten ze nadien hun fout toegeven. "
(Hamburger Abendblatt van 22 december 1997)
Dr. Gerhard Gans (BASF Aktiengesellschaft)
Dr. Sabine Lindner (Arbeitsgemeinschaft PVC und Umwelt e.V.)
Dr. Joachim Mügge (Vestolit GmbH)
April 1998
![]()
U bevindt zich op het eerste niveau van de antwoordpagina's van de Chlorofielen.
Op het net: 18 april 1998.
Laatste aanpassing: 13 november 1999.
Finale aanpassing: 31 maart 2019.
Naar de Home Page
van de Chlorofielen.
Greenpeace verontrust ouders met
valse beschuldigingen!
Vooraleer u op dit bericht reageert, leest u best eerst de pagina Greenpeace en chloor, misschien zult u begrijpen, waarom.